VrijVermogen · Geluksplanner

Alle artikelen

Een muizenval met een gouden munt als lokaas en een spoor van munten ernaartoe.

Beleggen

De 7 grootste beleggingsfouten van particulieren

Redactie VrijVermogen · 6 november 2026 · 8 min lezen

Je hoeft geen slechte belegger te zijn om rendement te laten liggen. De meeste fouten hebben weinig met kennis te maken en veel met gedrag: te vaak iets doen, op het verkeerde moment, met te weinig overzicht. Daar is veel onderzoek naar gedaan, met echte rekeningen en echte transacties. En het raakt veel mensen: ongeveer een kwart van de Nederlandse huishoudens belegt, meet de AFM. Dit zijn de zeven fouten die in de cijfers steeds terugkomen.

Kort gezegd

  • Actief handelen kost geld: in het bekendste onderzoek haalden de actiefste beleggers 11,4% per jaar, terwijl de markt 17,9% deed.
  • Wie de tien beste beursdagen van de afgelopen twintig jaar miste, hield minder dan de helft over. Die dagen vallen vaak vlak bij de slechtste.
  • Kosten lijken klein, maar 1,3 procentpunt per jaar scheelt na dertig jaar een vijfde van je eindbedrag.
  • Beleggers schatten hun eigen rendement fors te hoog in. Meten is de eerste stap.

1. Beleggen met geld dat je straks nodig hebt

Een koersdaling is vervelend. Een koersdaling op het moment dat je geld nodig hebt voor een kapotte auto, een verbouwing of een periode zonder inkomen is duur: dan verkoop je omdat het moet, en wordt een tijdelijk verlies definitief.

De AFM noemt "geld te beleggen dat voor langere tijd gemist kan worden" als eerste voorwaarde voor verstandig beleggen, in haar studie naar niet-beleggers uit 2026. Als maatstaf voor wat je achter de hand houdt gebruikt de toezichthouder de referentiebuffer van het Nibud. Die verschilt per huishouden; de middelste waarde (mediaan) was in 2024 € 26.650.

Vanzelfsprekend is dat niet. In een AFM-onderzoek uit 2021 belegde 36% van de doe-het-zelfbeleggers met geld dat ze waarschijnlijk nog nodig hadden: ze hadden geen buffer of minder dan € 5.000 aan spaargeld.

Wat helpt: bereken eerst je buffer, bijvoorbeeld met de BufferBerekenaar van het Nibud, en bepaal wanneer je het geld nodig hebt. Hoe lang is lang genoeg? De AFM vond dat passief beleggen in een aandelenindexfonds over negen jaar in de meeste gevallen meer opleverde dan sparen. In de rekentool sparen of beleggen zie je hoe dat uitpakt met een eeuw aan echte rendementen.

2. Te vaak handelen

Elke transactie kost geld, en elke transactie is een weddenschap dat je meer weet dan degene aan de andere kant. Hoe dat afloopt, is goed gemeten. De Amerikaanse hoogleraren Brad Barber en Terrance Odean bekeken de rekeningen van 66.465 huishoudens bij een grote broker.

Gemiddeld rendement per jaar, 1991–1996
De markt17,9%
Het gemiddelde huishouden16,4%
De huishoudens die het meest handelden11,4%

Na kosten. Bron: Barber & Odean (2000).

De onderzoekers wijten dat vooral aan overmoed: beleggers denken meer te weten dan ze weten. In een vervolgstudie handelden mannen 45% meer dan vrouwen, wat hun nettorendement 2,65 procentpunt per jaar kostte, tegen 1,72 procentpunt bij vrouwen.

Bij hefboomproducten is het effect nog sterker. De AFM volgde 35.000 particuliere turbobeleggers van juni 2017 tot juli 2018. Van hen maakte 68% verlies, en gemiddeld verloren ze € 2.680 per persoon. Van wie tot 10 transacties deed, verloor 64%. Van wie 500 transacties of meer deed, 88%.

Het gaat wel de goede kant op. Nederlanders die zelf of met een adviseur beleggen, deden in 2025 naar eigen zeggen gemiddeld 7 aan- of verkopen, tegen 13 in 2022. Een derde deed er geen een.

Wat helpt: spreek vooraf af wanneer je iets doet, bijvoorbeeld één vast inlegmoment per maand en één keer per jaar een herziening. Alles daartussen is een uitzondering die je aan jezelf moet kunnen uitleggen.

3. De markt proberen te timen

Uitstappen "tot het weer rustig is" voelt verstandig. Het probleem is dat het herstel vaak begint op het moment dat het nog helemaal niet rustig is. We rekenden het na op de slotkoersen van de S&P 500.

Wat 10.000 dollar in de S&P 500 werd, 2006–2025
Altijd belegd$ 54.840
Zonder de 10 beste dagen$ 24.420
Zonder de 20 beste dagen$ 14.420
Zonder de 30 beste dagen$ 9.430

Koersindex zonder dividend, 5.031 handelsdagen. Eigen berekening.

Alle tien de beste dagen vielen in een crisis: 2008 en 2009, het voorjaar van 2020, april 2025. Zes ervan lagen binnen twee weken van een van de tien slechtste dagen. Natuurlijk is dit een gedachte-experiment: wie uitstapt, mist ook slechte dagen. Maar juist omdat ze zo dicht bij elkaar liggen, moet je twee keer gelijk hebben: bij het verkopen én bij het terugkopen.

Morningstar meet dit gedrag elk jaar bij Amerikaanse fondsen en ETF's. Over de tien jaar tot eind 2025 verdiende de gemiddelde belegde dollar 8,7% per jaar, terwijl de fondsen zelf 9,9% deden. Die 1,2 procentpunt verdwijnt door het moment van in- en uitstappen. Bij eenvoudige mixfondsen was het verschil kleiner (0,7 procentpunt) dan bij sectorfondsen (1,2 procentpunt).

Wat helpt: automatisch inleggen op een vast moment haalt de beslissing weg bij het nieuws van de dag. Ook de AFM noemt "niet alles in één keer in te leggen" als onderdeel van verstandig beleggen.

4. Winnaars verkopen en verliezers vasthouden

Een aandeel dat op winst staat, verkoop je graag: dan heb je gelijk gehad. Een aandeel op verlies houd je vast: pas als je verkoopt, is het echt. Dat heet het dispositie-effect, en het hangt samen met iets wat Kahneman en Tversky al in 1979 beschreven: een verlies weegt zwaarder dan een even grote winst.

Terrance Odean bekeek de transacties op 10.000 rekeningen van 1987 tot en met 1993. Van alle winsten die beleggers konden nemen, namen ze er 14,8%. Van alle verliezen 9,8%. Duur was dat ook: de aandelen die ze verkochten, deden het het jaar erna gemiddeld 3,4 procentpunt beter dan de verliezers die ze hielden.

Wat helpt: een bruikbare vraag is: zou ik dit vandaag kopen tegen deze koers? Je aankoopprijs doet voor het antwoord niet ter zake, ook al voelt dat anders.

5. Te weinig spreiden

Hendrik Bessembinder onderzocht alle Amerikaanse aandelen sinds 1926. Vier van de zeven deden het over hun hele beursleven slechter dan kortlopende staatsleningen. De beste 4% van de bedrijven was goed voor de volledige winst van de Amerikaanse beurs; de andere 96% deden samen niet meer dan die staatsleningen.

Dat zet het kiezen van losse aandelen in een ander licht. Wie er een handvol kiest, loopt vooral de kans die paar uitschieters te missen.

Spreiding is ook minder vanzelfsprekend dan het lijkt. In een AEX-tracker wogen de tien grootste posities half oktober samen 76%, ASML alleen al ruim 17%. Zelfs een wereldwijde MSCI World-tracker had ruim een kwart in tien posities, vooral Amerikaanse techbedrijven. Wat dat kan betekenen, lees je in Is er een AI-bubbel?

Wat helpt: kijk door je fondsen heen en tel de overlap op. Wie naast een wereldwijd indexfonds ook losse techaandelen heeft, zit vaak dubbel in dezelfde bedrijven.

6. Kosten onderschatten

William Sharpe liet het in 1991 in drie pagina's zien: vóór kosten haalt de gemiddelde actieve belegger precies het marktrendement, want alle beleggers samen zijn de markt. Na kosten blijft die dus achter. S&P Dow Jones meet elk half jaar hoe dat uitpakt. Over de tien jaar tot juni 2026 bleef 98% van de actieve wereldwijde aandelenfondsen in euro achter bij hun index, en bestond ongeveer 4 op de 10 aandelenfondsen na tien jaar niet meer.

Het verschil lijkt klein als je het per jaar bekijkt. Over dertig jaar is het dat niet.

Eindbedrag na 30 jaar bij € 300 inleg per maand
0,2% kosten per jaar€ 338.167
1,5% kosten per jaar€ 267.278

€ 108.000 ingelegd, 7% rendement per jaar vóór kosten en belasting. Rekenvoorbeeld, geen verwachting.

Dat is ruim € 70.000 verschil, een vijfde van het eindbedrag, zonder dat je er iets anders voor hebt gedaan. In de rekentool voor je spaardoel kun je dit met je eigen bedragen narekenen.

Wat helpt: tel alles op: fondskosten, transactiekosten, valutakosten en servicekosten van je broker. De lopende kosten van een fonds staan in het essentiële-informatiedocument (EID).

7. Niet weten wat je eigen rendement is

Deze fout maakt alle andere onzichtbaar. Markus Glaser en Martin Weber vroegen 215 klanten van een online broker wat hun rendement was geweest en legden dat naast hun werkelijke transacties. Gemiddeld schatten ze zichzelf 11,5 procentpunt per jaar te hoog in. Het verband tussen schatting en werkelijkheid was vrijwel nul. Minder dan 5% dacht verlies te hebben gemaakt; in werkelijkheid was dat meer dan een kwart.

Dat is ook niet zo vreemd. Door stortingen en opnames zegt het bedrag op je rekening weinig: een hoger saldo kan gewoon nieuwe inleg zijn. Een eerlijke vergelijking vraagt om een tijdgewogen rendement, naast een vergelijkbare index met dividend. Vergelijk je met de gewone AEX, dan vergelijk je met een koersindex zonder dividend en vlei je jezelf.

Wat helpt: meet het één keer per jaar. Daarom zet VrijVermogen je tijdgewogen rendement naast de MSCI World, de S&P 500 en de STOXX Europe 600, op basis van de export van je broker. Handmatig kan ook, als je alle stortingen en opnames bijhoudt.

De rode draad

Bijna al deze fouten komen op hetzelfde neer: te veel doen en te weinig meten. Beleggers die dat omdraaien, hebben meestal aan een paar afspraken genoeg:

  • een buffer die los staat van je beleggingen;
  • een horizon die past bij het geld dat je belegt;
  • een vast moment om in te leggen, en een vast moment om te herzien;
  • weten wat er in je fondsen zit;
  • weten wat het je kost;
  • één keer per jaar kijken wat je rendement echt was.

Wil je zien wat dit voor je eigen plan betekent? In de gratis vermogenssimulator reken je zonder account uit wanneer je zou kunnen stoppen met werken, en wat een ander rendement daaraan verandert.

Bronnen

  1. AFM (2025). Consumentenmonitor Beleggers, Q3 2025.
  2. AFM (2026). Onbenut vermogen: een studie naar niet-beleggers. Occasional paper.
  3. AFM (2020). Nederlandse turbomarkt in beeld. Factsheet.
  4. Radar, AVROTROS (2021). Een op drie beleggers handelt te vaak en spreidt risico's te weinig. Over AFM Trendzicht 2022.
  5. Barber, B. M., & Odean, T. (2000). Trading Is Hazardous to Your Wealth. The Journal of Finance, 55(2), 773–806.
  6. Barber, B. M., & Odean, T. (2001). Boys Will Be Boys. The Quarterly Journal of Economics, 116(1), 261–292.
  7. Bessembinder, H. (2018). Do stocks outperform Treasury bills? Journal of Financial Economics, 129(3), 440–457.
  8. Glaser, M., & Weber, M. (2007). Why inexperienced investors do not learn. Finance Research Letters, 4(4), 203–216.
  9. Kahneman, D., & Tversky, A. (1979). Prospect Theory. Econometrica, 47(2), 263–291.
  10. Morningstar, J. Ptak (2026). Mind the Gap 2026. 6 augustus 2026.
  11. Odean, T. (1998). Are Investors Reluctant to Realize Their Losses? The Journal of Finance, 53(5), 1775–1798.
  12. S&P Dow Jones Indices (2026). SPIVA Europe Mid-Year 2026.
  13. Sharpe, W. F. (1991). The Arithmetic of Active Management. Financial Analysts Journal, 47(1), 7–9.
  14. Slotkoersen S&P 500 via EODHD; fondssamenstelling iShares AEX UCITS ETF en iShares Core MSCI World UCITS ETF via EODHD, peildatum 11 oktober 2026. Eigen berekeningen.

Dit artikel is algemene informatie en geen persoonlijk beleggingsadvies. Beleggen brengt risico's met zich mee: je kunt (een deel van) je inleg verliezen. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst. Cijfers zijn een momentopname op de genoemde datum.

Wat betekent dit voor jouw vermogen?

Zet je spaargeld, beleggingen, huis, hypotheek en pensioen in één overzicht en zie hoe je plan er tot je 100e uitziet. Gratis te beginnen.

Gratis rekentool proberen

Verder lezen